Torenlaan 42
7559 PJ Hengelo (OV)
Tel. +31 - 74 - 820 02 66
Openingstijden
Ma - Vr 08:30 - 17:00 uur

 

Verplicht keuren en onderhouden.

 

Batterijen en Laders zijn onderhevig aan slijtage. Een defect kan leiden tot ongewenste en onveilige situaties. In het kader van de Arbowet is het vereist deze batterijen en laders periodiek te controleren en te onderhouden. Minimaal één keer per jaar dient een batterij en/of lader te worden gekeurd.

 

Dat kan aan de hand van het BAS Tractiebatterijen Keurmerk.

Logistieke, Industriële ondernemingen die regelmatig te maken hebben met voertuigen met een elektrische aandrijving die gevoed worden door een loodbatterij moeten zich realiseren dat ze aansprakelijk kunnen worden gesteld bij eventuele ongevallen.

Periodiek laten keuren is om die reden al raadzaam.

 

Wij inspecteren + veilgheidskeuring van uw tractiebatterijen en gelijkrichters gelijktijdig kunnen wij ook uw tractiebatterij schoonmaken dit verlengt de levensduur van uw tractiebatterij ( en ).

Vraag bij ons een offerte aan 074-8200266

BAS veiligheidskeuringen

 

HET ARBO-BESLUIT OVER DE NEN 3140

 

Elektrische installaties zijn zodanig ontworpen, ingericht, aangelegd, onderhouden en gekenmerkt, dat een veilig gebruik van elektriciteit zo goed mogelijk is gewaarborgd. Hiertoe zijn de nodige voorzieningen en beschermingsmaatregelen aangebracht, waaronder worden begrepen beveiligings-, meet-, controle- en signaleringstoestellen alsmede aarders, schakelaars, scheiders en contactdozen.

Daarbij is rekening gehouden met bijzondere eisen die kunnen voortkomen uit de wijze van het gebruik, de gebruiksomstandigheden en de te verwachten uitwendige invloeden.

In een elektrische installatie zijn doeltreffende maatregelen genomen tegen het gevaar van brand, ontploffing, directe en indirecte aanraking en te dichte nadering.

Van iedere elektrische installatie zijn duidelijke, steeds bijgewerkte schema's beschikbaar alsmede alle overige gegevens die nodig zijn voor een veilig gebruik van de elektrische installatie.

 

Het derde lid is niet van toepassing op elektrische installaties voor laagspanning van beperkte omvang.

Artikel 3.5 Elektrotechnische, bedienings- en andere werkzaamheden aan of nabij een elektrische installatie

Elektrotechnische werkzaamheden en bedieningswerkzaamheden die gevaren kunnen opleveren, worden door deskundige, voldoend onderrichte en daartoe bevoegde werknemers uitgevoerd.

 

Een ruimte waarin zich een elektrische installatie voor hoogspanning bevindt waarvan de delen niet of onvoldoende zijn beschermd tegen directe of indirecte aanraking dan wel te dichte nadering, wordt slechts betreden in aanwezigheid van een tweede daartoe bevoegd persoon.

Werkzaamheden aan of in de nabijheid van een elektrische installatie worden slechts uitgevoerd, indien de installatie of het gedeelte waaraan of in de nabijheid waarvan wordt gewerkt, spanningsloos is.

 

In aanvulling op het derde lid zijn door de daartoe bevoegde werknemer tevens doeltreffende maatregelen genomen om een gevaarloos verloop van die werkzaamheden te waarborgen.

 

Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op werkzaamheden die worden verricht aan of in de nabijheid van een elektrische installatie voor laagspanning, indien:

a. de dringende noodzaak van het onder spanning uitvoeren van die werkzaamheden is aangetoond;

b. tot het uitvoeren van die werkzaamheden door de daartoe bevoegde werknemer uitdrukkelijk opdracht is gegeven, en

c. de installatie tevens geschikt is voor het onder spanning uitvoeren van die werkzaamheden en door de daartoe bevoegde werknemer doeltreffende maatregelen zijn genomen om de aan die werkzaamheden verbonden gevaren te voorkomen.

Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op werkzaamheden die worden uitgevoerd aan of in de nabijheid van een elektrische installatie voor hoogspanning, bestaande uit:

 

a. het nemen en opheffen van veiligheidsmaatregelen, waaronder begrepen het met geschikt materieel knippen of schieten van kabels;

b. het uitvoeren van metingen en beproevingen, of

c. het reinigen van elektrisch materieel.

 

Werkzaamheden bestaande uit het reinigen van elektrisch materieel in een elektrische installatie voor hoogspanning als bedoeld in het zesde lid, onder c, worden slechts uitgevoerd, indien:

a. tot het uitvoeren van die werkzaamheden door de daartoe bevoegde werknemer uitdrukkelijk opdracht is gegeven;

b. gebruik wordt gemaakt van de voor deze werkzaamheden geschikte reinigings- en arbeidsmiddelen, en

c. de werknemers zich met de arbeidsmiddelen waarmee zij fysiek in contact staan, niet behoeven te begeven in de gevarenzone van de installatie of delen daarvan die onder spanning staan.

 

Risico laden van een tractiebatterijen.

 

Explosie risico

Bij het laden van tractiebatterijen en semitractie batterijen komt waterstof vrij door elektrolyse van de elektrolyt.

 

De vrijkomende waterstof kan met de in de luct aanwezige zuurstof een explosief mengsel vormen dat bekend staat als knalgas.

 

Dit mengsel is explosief bij een minimale concentratie van waterstof in lucht van 4 % (volumeprocenten); de benodigde minimale ontstekingsenergie is (slechts) 0,019 J. De onderste explosiegrens (LEL) van 4 % kan plaatselijk snel worden bereikt.

 

Er behoort voor te worden gezorgd dat zich in een laadruimte of laadplek geen gevaarlijke waterstofconcentraties, zogenoemde waterstofnesten, kunnen vormen. Omdat waterstof lichter is dan lucht, stijgt deze omhoog waardoor hij zich kan ophopen onder plafonds, overkappingen, in open lichtarmaturen of dakkoepels en dergelijke.

Daarom behoren ventilatieafvoeren zo hoog mogelijk en ventilatie toevoeren zo laag mogelijk te zijn aangebracht en diagonaal in de ruimte te zijn geplaatst.

 

Niet geventileerde vakken in en onder plafonds behoren te worden vermeden. Ventilatie behoort op de buitenlucht plaats te vinden. In het kader van voornoemde explosierisicobeoordeling behoort de laadruimte waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen te worden ingedeeld in gevarenzones. Hiertoe dient, in aanvulling op deze praktijkrichtlijn, de praktijkrichtlijn NPR 7910-1.

 

Veilige indeling van de laadplek / laadruimte

Voor het positioneren van de lader ten opzichte van de batterij geldt het volgende. De lader behoort op een afstand van 0,5 m ten opzichte van de batterij te worden geplaatst (zie 6.5 van NEN-EN 50272-3).

Aanbevolen wordt bij lange batterij-opstellingen, bijvoorbeeld wisselbatterijen, voldoende doorgangsopeningen toe te passen. Bij het laden van batterijen in de heftruck behoort rekening te worden gehouden met een minimale vrije ruimte van 0,8 m.

 

Op de locatie waar batterijen worden geladen behoort door gele belijningen te worden aangegeven waar de verschillende activiteiten behoren plaats te vinden, zoals:

— het parkeren van de voertuigen;

— het laden van de batterij;

— de ruimte waar met de truck wordt gereden.

Waar nodig behoort een aanrijdbeveiliging te worden geplaatst.

Boven het batterijen dient men te werken met gesloten licht armaturen (IP 65) best geschikt.

Verder behoort er een voorziening te worden gerealiseerd waardoor het niet mogelijk is om tijdens het laden van de batterij met de truck weg te rijden.